De instellingen van een zender voor een RC auto uitgelegd.

 

Koop je tegenwoordig een moderne, luxe zender om je modelauto nog beter te kunnen besturen, dan krijg je zo’n vaak een ‘pistool-greep’ stuurwiel zender met groot LCD display en een paar knopjes op het apparaat om menu’s te kiezen, keuzes te bevestigen en allerlei instellingen aan te passen aan je eigen voorkeur.
Maar de meeste van de functies hebben een cryptische functieomschrijving, je weet niet goed wat de juiste instelling is en eigenlijk merk je weinig tot geen verschil in het rijgedrag van je modelauto. Natuurlijk pak je dan de handleiding erbij, je zoekt uit waarvoor die functies eigenlijk allemaal zijn, maar je weet nog steeds niet onder welke omstandigheden je een bepaalde functie moet aanzetten en wanneer je hem niet nodig hebt.

Om je een stuk op weg te helpen hebben wij de functies van een moderne zender eens op een rijtje gezet en proberen te omschrijven wat je van een bepaalde functie kan verwachten, welke functies nu echt belangrijk zijn om in te stellen en welke je eigenlijk nooit gebruikt.


In ons voorbeeld hebben wij de functies van een Spektrum DX3S zender onder de loep genomen. Deze populaire zender biedt vrijwel alle functies die je zowel bij goedkopere als bij duurdere modellen zult aantreffen. De goedkopere zender hebben vaak de zogenaamde ‘high-end’ functies niet geactiveerd, terwijl de duurdere zenders soms enkele extra functies hebben. Maar over het algemeen vindt je de hier beschreven functies in meer of mindere mate ook op andere zenders.

De makkelijke instellingen: bind, model select, model name en model reset
Al eerste is het belangrijk dat je de zender en de ontvanger aan elkaar koppelt met het ‘bind’ commando. Op vrijwel elke zender kan je kiezen om deze te gebruiken voor verschillende model auto’s. Je kunt de zender aan verschillende ontvangers koppelen (met het ‘bind’ commando) en de instellingen per model in het geheugen van de zender opslaan. Dit doe je in het ‘model select’ menu. Heb je een nieuw model met nieuwe ontvanger, dan kan je in het ‘model select’ menu één van de tien (of meer) model nummers kiezen en de instellingen specifiek voor het nieuwe model in het geheugen van de zender vastzetten.
Heb je eenmaal een model nummer gekozen, dan zullen alle wijzigingen die je in het menu maakt alleen voor dat model nummer gelden, de instellingen voor de andere modelnummers zullen ongewijzigd blijven.
Om een zender en ontvanger te koppelen sluit je de ontvanger aan op een accu en plaats je de bijgeleverde ‘bind’-stekker in de ‘bind’-poort van de ontvanger, bij sommige modellen moet je op de ‘bind’-knop op de ontvanger drukken. Een LED zal gaan knipperen op de ontvanger en hiermee bevestigd de ontvanger dat hij in de ‘bind’-modus is en gekoppeld kan worden aan de zender. Kies dan in het menu van de zender voor ‘bind’ en activeer de koppel functie door de op de bevestiging knop te drukken. De LED zal eventjes snel achter elkaar knipperen en dan blijven branden als de koppeling aan de zender is geslaagd. Dat kan je proberen door de servo’s even te laten bewegen door aan het stuur te draaien en even de gashandle te bewegen.
Vergeet niet om de ‘bind’-stekker uit de ontvanger te verwijderen nadat de koppeling aan de zender geslaagd is!

Met ‘model name’ kan je de naam van je modelauto invoeren, daarmee is het selecteren van een model in het ‘model select’ menu iets eenvoudiger; een naam van een modelauto is eenvoudiger te herkennen dan ‘model 1, model 2, model 3, etc.’.

Met ‘model reset’ kan je de in het geheugen opgeslagen instellingen van een model wissen en alle instellingen van dat model nummer weer op de fabrieksinstellingen terugzetten.

De belangrijke instellingen: reverse, travel, steering rate en trim
Met ‘reverse’ kan je de draairichting van de servo bepalen. Deze kan op de instelling ‘normal’ of ‘reverse’ worden ingesteld. Verschillende merken servo’s en regelaars, verschillende montage plaatsen en verschillen in de plaatsing van de servo hevel (of motor bij elektro RC auto’s) zorgen ervoor dat niet elke servo (of motor) op de stand ‘normal’ de juiste kant op draait. De manier om te testen of een servo of een motor op de stand ‘normal’ of ‘reverse’ de juiste kant op draait is door de servo (of regelaar) te installeren, aan te sluiten op de ontvanger en gewoon te kijken of hij de juiste kant op draait. Draait de servo verkeerd om, of draait de motor achteruit, dan verander je de instelling van ‘normal’ naar ‘reverse’ en kijk je of hij dan wel de juiste kant op draait. Stel zowel je gas/rem servo (of regelaar) en de stuurservo apart in door dit te testen. Het kan zijn dat de één op de stand ‘reverse’ moet terwijl de ander juist op de stand ‘normal’ moet staan.

Eén van de belangrijkste instellingen op een zender is ‘travel’, ook vaak aangeduid met de term ‘EPA’ (End Point Adjustment). Met de instelling van ‘travel’ bepaal je namelijk de maximale stand welke een servo kan in nemen, de ‘eindpunten’ van je servo. Je kan de ‘travel’ voor elk kanaal apart instellen. Deze instelling dient nauwkeurig ingesteld te worden, want als er te veel ‘travel’ is, zijn de eindpunten van de servo te ver ingesteld en zal de servomotor de hevel niet meer verder kunnen bewegen en daardoor geblokkeerd raken.
Een geblokkeerde servomotor zal veel stroom trekken uit het ontvanger accupack en de motor zal sterk opwarmen. Hierdoor zal het accupack snel leeg raken en de servomotor kan beschadigen. Een te hete servomotor is zeer kwetsbaar bij botsingen of crashes; een flinke tik tegen de behuizing van een hete servomotor kan er voor zorgen dat de permanente magneten in de motor gedemagnetiseerd raken en de servo al zijn kracht verliest.
Stel de eindpunten van een stuurservo zo in dat de wielen niet verder dan de maximale stuuruitslag worden gedrukt door de servo hevel. De uitslag van de stuur servo zodanig instellen dat de stuurhubs tegen ophanging drukt is niet nodig en zal de servo onnodig belasten.
Het is wijs, als je de maximale uitslag hebt bepaald, de instelling zo’n 5% lager in te stellen, want vrijwel elke model auto is voorzien van een servo-saver en met die 5% extra ‘speling’ zorg je dat de servo-saver zijn werk naar behoren kan doen.
De eindpunten van een gas/rem servo moeten zo gekozen worden dat de servo bij vol gas de gasschuif bijna geheel opentrekt. Niet helemaal open, er moet een klein beetje speling blijven op de gasschuif (ca. 1mm speling is voldoende). Als je de gasschuif maximaal open getrokken wordt zal de servo tegen blokkeren aan staan en warm worden. Zorg je dat er een heel klein beetje speling overblijft, dan zal de servo niet opwarmen en weinig stroom gebruiken. Aan de andere kant stel je de remkracht op dezelfde manier in; je zoekt het punt waarop de remblokken maximaal tegen de remschijven worden gedrukt en daarna stel je de servo iets terug zodat de auto wel goed remt, maar de servo net niet blokkeert.
Als je de eindpunten van de servo hebt afgesteld met de ‘travel’ instelling, dan zal je merken dat je maar zelden de maximale uitslag van het stuurwiel gebruikt. Naar mate je model auto sneller rijdt zal je eigenlijk maar weinig aan het stuur hoeven te draaien voor een scherpe bocht. Dit komt omdat je maar zelden een maximale stuuruitslag nodig hebt. Veel stuuruitslag zorgt vaak voor een wat nerveuze auto op de baan en dan zou je eigenlijk wat minder stuur willen hebben.


Om minder stuur te krijgen, zonder je zorgvuldig ingestelde eindpunten te beïnvloeden, zit de ‘steering rate’ draaiknop op de meeste zenders. Met deze draaiknop kan je de maximale stuuruitslag naar zowel links als rechts beperken. Als de draaiknop maximaal open gedraaid is (100%) zal de gehele ‘travel’ van de servo worden gebruikt als je de zender van links naar rechts draait. Als je de stuur uitslag beperkt met de ‘steering-rate’ draaiknop tot bijvoorbeeld 80% dan zullen de wielen maximaal 80% van hun uitslag halen in het gehele bereik van het stuurwiel op de zender. Dit zorgt ervoor dat de stuurservo dus minder gevoelig op de stuuruitslag van de zender zal reageren; bij dezelfde input via de stuurwiel zender zal de servo minder ver uitslaan, dus rustiger reageren op de imput.

Twee andere belangrijke instellingen zijn de ‘trim’ en de ‘subtrim’. Vaak zitten er op de zender rond het stuurwiel twee (of meer) knopjes waarmee je de auto kan ‘trimmen’. Deze zijn meestal aangeduid met ‘ST.trim’ (Steering trim) en ‘Th.trim’ (Throttle trim). Trimmen doe je als de auto in de middenstand van het stuurwiel niet recht door gaat, of bij het loslaten van de gashandle de auto gas blijft geven en doorrollen of juist remt. Met de trimknopjes rond het stuurwiel kan (zelfs je onder het rijden) de middenstand van de servo’s beïnvloeden. Als je auto niet rechtdoor rijdt bij de middenstand van de stuurwielzender, maar bijvoorbeeld afwijkt naar links, dan kan je met de trimknop ‘st.trim’ de middenstand van de servo verplaatsen naar rechts en zo zorgen dat de auto weer rechtdoor rolt. Het zelfde geld als de gasschuif iets open blijft staan, of als de auto juist remt als je de gashandle loslaat. Met de knop ‘th.trim’ kan je de middenstand van de gas/rem servo verplaatsen en zo zorgen dat de gasschuif geheel sluit en de rem vrij loopt.
Als je de afwijking in het stuurgedrag of gas/rem systeem permanent wilt oplossen zal je de stuurstang(en) of gas/rem stangen op de model auto moeten aan passen en op de juiste lengte brengen. Als de stangen weer op de juiste lengte zijn ingesteld dan kan je de aanpassingen aan de trim ongedaan maken met de knopjes naast het stuurwiel en deze weer op de neutrale middenstand zetten.
De trim knopjes naast het stuurwiel zijn bedoeld om, na een crash of botsing waarna de uitlijning van de auto niet goed meer is, de wielen weer in de middenstand te krijgen, of om verbogen gas/rem stangen te compenseren tijdens het rijden.

 

Met de instelling ‘sub trim’ in het menu kan je eigenlijk hetzelfde doen als met de twee hierboven beschreven trim knopjes, maar dat is NIET de bedoeling. De sub-trim is bedoeld om heel kleine afwijkingen ten opzichte van de middenstand te corrigeren. Deze kleine afwijkingen kunnen zitten in de servo-hevel die niet helemaal haaks of helemaal in lijn met de servo gemonteerd kan worden. Dit kan te maken hebben met de vertanding van de servo of servohevel. Om de servohevel exact in de juiste stand te zetten gebruik je de sub trim.
Stel nooit grote afwijkingen bij met de subtrim, maar alleen kleine. Dit omdat als de subtrim een grote waarde heeft naar één zijde dan zal ook de uitslag van de servo naar de andere kant beperkt worden. Dus als de sub trim bijvoorbeeld 20% naar links is ingesteld, dan zal de stuuruitslag naar rechts ook met 20% afnemen. Stel met de subtrim dus alleen de kleine afwijking van de servohevels in!

 

De extra instellingen; exponential, throtlle punch en ABS
Deze drie instellingen zitten niet op elke zender, tot enkele jaren geleden vond je deze functies alleen op de meeste luxe en dure zenders. Met de komst van de populaire 2,4gHz zenders waarop deze functies vaak aanwezig zijn, zijn deze instelmogelijkheden gemeen goed geworden.
De instelling van Exponential beïnvloed hoe de servo vanuit de middenstand ‘accelereert’; het beïnvloed hoe sterk een servo reageert vanuit de middenstand. Bij een stuurservo kan je met de ‘exponential’ zorgen dat de servo minder nerveus reageert op kleine bewegingen rond de middenstand en naar mate je meer stuurt dat de uitslag van de servo hevel steeds groter wordt. Of juist anders om, zorgen dat de servo zeer snel en gevoelig reageert op kleine commando’s van de zender rond de middenstand en juist bij grote uitslagen minder direct wordt.
Als je een positieve waarde kiest voor de exponential zal de servo minder gevoelig worden rond de middenstand. Kies je een negatieve waarde voor de exponential zal de servo snel en zeer direct reageren rond de middenstand en minder naar mate de uitslag groter wordt.
Throttle punch is een instelling die bedacht is om eventuele speling in de gasschuif bediening op te heffen. Het zorgt dat de gas/rem servo bij het gas geven het eerste stukje zeer snel reageert en de servo maximaal snel laat openen. Je kunt bij deze instelling bepalen hoeveel van het bereik van de servo maximaal snel moet openen (in procenten). Zodra de gasschuif meer dan 4% geopend wordt zal de ‘punch’ de servo het ingestelde percentage openen. Dus als je 20% hebt ingesteld zal de servo, zodra je een beetje gas geeft, springen naar 20% opening. Als je de waarde van de punch te hoog instelt zal de motor zeer lastig te bedienen zijn; de gasschuif wordt in het geval van een hoog ingestelde punch (bijvoorbeeld 20%) meteen 20% open getrokken zodra hij meer dan 4% geopend is, wat zeer onrustig rijden is.
Stel altijd maar een lage waarde in bij de ‘throttle-punch’, moet je toch een hoge waarde instellen om de speling op te heffen, dan is het beter om je gas-stangen stelsel na te kijken en te verbeteren waar nodig.
Tenslotte komen we op ABS, bij vrijwel iedereen bekend als ‘Anti Blokkeer Systeem’. Deze instelling doet precies wat hij belooft en zal functioneren als een soort ABS. Het is natuurlijk geen echte ABS zoals je kent van je echte auto, want die heeft sensoren in de wielen en elk wiel wordt apart afgeremd.
Bij ABS voor modelauto’s moet je meer denken aan pulserende remmen. Bij geactiveerde ABS zal de gas/rem servo bij het remmen snel heen en weer bewegen tussen de maximale remkracht en iets minder remkracht. De auto zal dus pulserend remmen en niet constant de wielen blokkeren bij een maximaal aangetrokken rem servo. Dit kan voordeel hebben op gladde ondergrond, maar het is beter om een goed remgevoel in je gas-vinger te ontwikkelen dan te vertrouwen op het ABS systeem van de zender en ontvanger.
Het pulseren van de rem-servo kan veel stroom trekken uit het accupack en bovendien zorgen dat de servo warmte gaat ontwikkelen. Natuurlijk is het ABS systeem voor modelauto’s wel zodanig ontwikkeld dat de servo’s de belasting zonder problemen kunnen doorstaan, maar er wordt wel meer stroom gebruikt door de servo.
Je kunt het percentage en daarmee de hoeveelheid assistentie van het ABS traploos instellen op de zender, een juiste instelling is er niet; je moet gewoon zelf proberen wat voor jou de juiste instelling is.

 

Nog meer mogelijkheden
Hierboven hebben wij de belangrijkste instellingen proberen te bespreken en te verduidelijken waarvoor zij dienen. Op de nieuwste zenders zijn nog meer functies en snufjes te vinden, zoals het ontvangen van telemetrische gegevens van verschillende sensoren welke op de ontvanger kunnen worden afgesloten.
Sommige zenders zijn uitgerust met een bluetooth module waarmee je hem kan koppelen aan je mobiele telefoon en hiermee de telemetrische data van de zender na een race kan uitlezen in een app. Deze ontwikkeling zal, naar wij verwachten, snel worden overgenomen door andere zender-fabrikanten omdat het een handige feature is, die je meer inzicht kan geven in je rijstijl en rijtijden. Een andere ontwikkeling welke we steeds vaker zullen tegenkomen is het AVC (Active Vehicle Controle) systeem wat ingebouwd is in de ontvanger. AVC, een soort elektronische rij-assistent, is een systeem wat de bestuurder ondersteunt met actieve controle over de gas/rem servo (of de snelheidsregelaar) en de stuurservo. Op de zender kan je de mate van ondersteuning van dit systeem instellen met een draaiknop, zonder in het menu te hoeven duiken.

 

 

Reacties zijn gesloten.