Het starten en afstellen van gloeiplug motoren

Deze aanwijzingen over het afstellen van een carburateur is geschreven voor de Mugen Seiko Prime12, maar geldt in principe ook voor alle andere gloeiplug motoren, hoewel de plaats van de sproeiers anders kan zijn. De werking blijft echter gelijk.

Het afstellen van de carburateur van een gloeiplug motor is een trucje wat je moet leren, en is een steeds terugkerende bezigheid, vrijwel iedere keer dat je met zo’n auto wil gaan rijden. Een eenmaal gevonden afstelling is namelijk niet vast, maar de temperatuur en vochtigheidsgraad van de buitenlucht is ook bepalend voor hoe de carburateur afgesteld moet staan. Dat betekent dus dat je iedere keer kleine wijzigingen aan de afstelling moet doen. Bovendien: als de carburateur eenmaal goed afgesteld staat bij warme motor, zal hij meestal de volgende dag niet starten als de motor koud is. Om te starten zal dan de hoofsproeier iets verder open gedraaid moeten worden, en als de motor dan warm gedraaid is, kan hij weer iets verder dicht. De schuif-carburateur van de Prime 12 is wat dat betreft minder gevoelig dan de carburateurs met draaiende gasschuif die de meeste merken (uit prijs-overweging, een schuifcarburateur is duurder) hebben, hoewel vooral bij de betere merken ook dit type carburateur steeds beter wordt.

Je begint altijd met het afstellen van de hoofdsproeier. Hiermee wordt de mengsel verhouding lucht en brandstof geregeld. De hoeveelheid brandstof t.o.v. de hoeveelheid lucht moet precies kloppen, anders loopt de motor niet of niet goed. Te veel is niet goed, maar te weinig zeker niet. Bij dit type motor zit de olie die voor de smering moet zorgen n.l. gemengd in de brandstof, en als de motor te weinig brandstof krijgt, krijgt hij ook te weinig smeerolie. Als de motor niet genoeg smering krijgt, wordt hij te heet en zal vast lopen, met schade aan zuiger, cilinderwand en drijfstang tot gevolg. De hoofdsproeier mag dus nooit te ver dicht gedraaid worden. Pas op dat je altijd maar met hele kleine stapjes aan de sproeiers draait, en onthoudt de oorspronkelijke stand, zodat je altijd weer terug kunt naar de uitgangs positie.

Begin met de auto op een verhoging te zetten zodat de aangedreven wielen vrij van de grond staan.

De basisstand van de carburateur staat beschreven in de handleiding welke bij de motor hoort. D.w.z. de sproeier wordt dicht gedraaid (rechtsom) en dan afhankelijk van het type carburateur een paar slagen open gedraaid. Bij de Prime 12 is dat ongeveer 5 halve slagen, maar zoals gezegd: dit kan anders zijn voor elk type carburateur, vaak is het maar 3 halve slagen. Nu pomp je de brandstof op naar de carburateur. Soms gaat dat met een pompje op de tank, anders houd je de uitlaat dicht en trekt aan de starter. Je ziet nu de brandstof door de slang naar de carburateur gaan. Zodra de brandstof bij de carburateur is, sluit je de gloeiplug driver aan. E.v. kun je een heel klein beetje gas geven door de trim van het gas in de bovenste stand te zetten. Nu zou de motor moeten starten. Als de motor niet binnen een paar trekken start, neem je de gloeiplug driver los, en demonteert de gloeiplug zelf. Let op of de gloeiplug nat of droog is. Als hij droog is, krijgt de motor niet (genoeg) brandstof, en kan de hoofdsproeier iets verder opengedraaid worden. Als de gloeiplug nat is, controleer je de werking van de plug door hem in de openlucht aan te sluiten op de gloeiplug driver. Hij moet nu rood oplichten. Doet hij dat niet, dan is of de gloeiplug driver leeg, of de gloeiplug is kapot. Sluit een nieuwe aan om de driver te controleren.

Als de gloeiplug niet goed was, monteer dan de nieuwe, en probeer opnieuw. Als de gloeiplug goed is, maar hij is nat, dan is de afstelling te rijk geweest, waardoor er teveel brandstof in de motor is gekomen. Hij is dan “verzopen”.
Geef vol gas, en trek aan het startkoortje, zonder dat de gloeiplug gemonteerd is. Er zal nu een hoop gasmengsel uit de motor komen, met druppels brandstof. Zodra er geen druppels meer meekomen, kun je de plug weer monteren. Draai de hoofdsproeier een paar tandjes dicht, en probeer opnieuw te starten. Herhaal deze procedure tot de motor aanslaat.

Laat de motor even lopen met de driver aangesloten, en controleer of de motor blijft lopen als je wat gas geeft. Gaat alles goed, dan kun je de gloeiplugdriver losmaken, nu zou de motor moeten blijven lopen. Geef langzaam wat gas, en controleer of de motor goed opneemt. Zo ja, dan kun je gaan rijden. Neemt de motor niet goed op, draai dan de hoofdsproeier één of twee tandjes verder open en start opnieuw. Als de auto rijdt en de motor warm is, kun je verder gaan met afstellen van hoofd- en opneemsproeier indien nodig.

De stand van de ene sproeier beïnvloedt ook weer de werking van de andere, als de ene versteld wordt, moet vaak de andere ook iets versteld worden.

Om nog even bij de hoofdsproeier te blijven: een veilige afstelling is als de motor net tegen “viertakken” aan loopt bij vol-gas. Viertakken is dat de motor op volle snelheid iets begint te pruttellen, meestal gepaard gaand met wat meer roken. Dit verschijnsel treedt op als de motor iets te veel brandstof krijgt, en omdat met de brandstof mee ook de hoeveelheid smeerolie bepaald wordt (deze zit in de brandstof gemengd), krijgt de motor ook voldoende smering. Als de motor erg viertakt, kun je de hoofdsproeier nog één tandje verder dicht draaien, zodat de motor net niet meer viertakt, en de auto nog iets harder gaat lopen. Ideaal voor de levensduur van de motor is dat hij met wind tegen niet viertakt, en met wind mee net iets begint te pruttelen op volle snelheid. Draai je de hoofdsproeier nu nog iets verder dicht, dan loopt de motor een korte tijd nog even iets harder, en slaat dan met een klap vast, wat meestal einde motor betekent!

Reacties zijn gesloten.